Technologie menselijk maken? Geef ambtenaren dan meer ruimte

Wie wil dat technologie in de publieke ruimte weer de burger dient, die moet ervoor zorgen dat ambtenaren hun vakmanschap mogen inzetten. Dat betoogde Jiska Engelbert bij de boekpresentatie van Human Values for Smarter Cities vorige maand in Amsterdam.

Het handboek ‘Bewoners-in-the-loop, samen beslissen over AI in de stad’ werd op 23 juni gelanceerd in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. Het handboek is gratis te downloaden via de website van Human Values for Smarter Cities.

Martijn

Martijn de Waal | Fotografie: Michiel Landeweerd

Steden willen hun inzet van technologie heus wel op verantwoorde wijze uitvoeren. Dat stelt Martijn de Waal, lector Civic Interaction Design bij de Hogeschool van Amsterdam, bij de opening van de boekpresentatie.

Het probleem is alleen dat de beginselverklaringen en manifesten die daarbij horen, tamelijk abstract zijn. Want hoe maak je de vertaalslag van die abstractie naar concrete projecten, zoals de aanbesteding voor een scanauto of de inzet van een algoritme? Wat betekenen goede intenties voor de menselijke maat en privacy?

Technologische porositeit

De oplossing, blijkt uit de verhalen van Thijs Turel (Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions), Kars Alfrink (TU Delft), Mike de Kreek en Tessa Steenkamp (beiden Hogeschool van Amsterdam), blijkt te liggen in het betrekken van burgers bij de inzet van technologie.

Bij ‘normale’ bouwprojecten in de stad is zulke participatie heel normaal, zoals bij de plaatsing van een nieuwe flat of het herontwikkelen van een terrein. Maar bij de inzet van technologie, dat toch echt grote gevolgen heeft voor de stad, zijn we dat nog veel minder geneigd te doen.

Bovendien doen we meestal eenmalig aan burgerparticipatie over technologie doen, bij het begin van het project. De sprekers benadrukken dat participatie bij de inzet van technologie een voortdurend proces moet zijn, aangezien de technologie zelf ook constant evolueert. Technologie, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een veegwagen, is namelijk altijd in ontwikkeling en dus onvoorspelbaar. Zij moet daarom continu geëvalueerd worden, om zo te bepalen of de technologie nog overeenkomt met waarvoor zij ooit werd ingezet.

Het team introduceert daarvoor het begrip porositeit. Dit betekent dat technologie op zo’n manier ontworpen wordt, dat er verschillende kanalen zijn waardoor burgers deze continu kunnen bevragen en tegenspreken.

Collage

V.l.n.r. (boven): Tessa Steenkamp, Mike de Kreek. V.l.n.r. (onder): Munish Ramlal, Kars Alfrink, Thijs Turèl, Eelco Thiellier. | Fotografie: Michiel Landeweerd

Digitale maquette

De complete aanpak, ‘bewoners in the loop’ gedoopt, kent drie uitgangsprincipes. Ten eerste: het democratiseren van de inzet van technologie, dus inclusief discussie met de betrokkenen. Ten tweede: het concreet maken van de waarden van de technologie, zodat duidelijk is waarvoor en voor wie de technologie werkt. En ten derde: burgers blijvend betrokken houden, zodat ze onderdeel blijven van hoe technologie gebruikt wordt.

Steenkamp stond voor de vraag hoe je burgers die feedback laat geven. Op plannen, kaarten en maquettes is dat eenvoudig. Maar hoe doe je dat met digitale plannen, die zowel onzichtbaar zijn in wat ze zijn als waar ze in uitmonden? Hoe ziet de maquette van een algoritme eruit?

Dat loste ze op door prototypes te bouwen van een scanauto en scanfiets, die ze vervolgens door de stad reed en ondertussen actief aan burgers vroeg wat ze ervan vonden. Ook raadde ze de betrokken ambtenaren aan om nieuwsgierig te blijven naar wat burgers vinden. Ja, weet ze, die gesprekken kunnen klachten en boosheid opleveren. Maar volgens Tessa is dat juist goed, omdat ze veel leren over wat er mis is met de digitale plannen.

Wezenlijke vraag

Hoogleraar Jiska Engelbert (Centre for Bold Cities) kan deze methode alleen maar toejuichen. “Neem camera’s. Die zijn heel raar en verre van vanzelfsprekend, maar we zijn ze heel normaal gaan vinden. We zijn vergeten ons af te vragen voor welk probleem zij een oplossing bieden, hoe die analyse tot stand is gekomen, en volgens wiens kader we een probleem oplossen. Er zijn bijvoorbeeld heel andere manieren om die problemen op te lossen, zoals via collectieve veiligheid en zorgen voor elkaar. Het kan alsnog prima zijn dat die camera’s er zijn, maar we moeten wel die vragen blijven stellen, en ons weer realiseren hoe bijzonder het is dat ze er hangen en onderdeel van het straatbeeld zijn geworden.”

Jiska

Jiska Engelbert (midden), Tessa Steenkamp (rechts). Fotografie: Michiel Landeweerd

Dat die discussie ontbreekt, komt volgens Engelbert aan de ene kant omdat burgers vaak het gevoel hebben dat ze er toch niets aan kunnen doen. En aan de andere kant omdat in Rotterdam het idee leeft dat camera’s goed zijn voor de veiligheid, de veiligheid beter moet, en er dus meer camera’s nodig zijn. “Dus de gemeenteraad zou niet de vraag moeten beantwoorden: ben je voor of tegen camera’s? De wezenlijke vraag is: wat is het probleem en hoe kun je dat oplossen? Misschien kun je veiligheid ook op een andere manier organiseren. Maar die vraag stellen we onszelf niet.”

Dat gesprek over die wezenlijke vraag komt er volgens Engelberts ook niet, omdat er vrijwel geen nieuwsgierige interesse in dit thema is. “Kritische visies, zoals van wetenschappers en publieke partijen, zijn er veel minder dan geluiden die juist voor camera’s zijn. En als media er al over schrijven, dan gaat het over incidenten, zoals camera’s uit China en misstanden in de Verenigde Staten.”

Probleemgesprekken

Haar hoop is daarom gevestigd op ambtenaren die werken vanuit vakmanschap. “Je hebt als ambtenaar tegenover burgers een gigantische macht-asymmetrie. Ambtenaren kunnen over het leven van burgers besluiten. Ieder besluit van een gemeente moet dus door een ambtenaar gelegitimeerd kunnen worden, daar hebben burgers recht op. Die legitimering mag niet optioneel zijn, want het vraagstuk is waanzinnig groot.”

Om dat te illustreren, noemt Engelbert een situatie in Rotterdam. “De afdeling personeelszaken had verzonnen dat scanauto’s helpen om te voorkomen dat BOA’s probleemgesprekken moeten voeren met mensen die verkeerd geparkeerd staan. Maar BOA’s willen juist die gesprekken voeren, dat is bij uitstek hun ambtelijk vakmanschap.”